
‘Ik kan wel een dag van slag zijn als iemand me op internet voor rotte vis uitmaakt’
Leo Blokhuis
In: esta nr. 24 – november 2009
Hij is een kenniskanon tegen wil en dank. Door Matthijs van Nieuwkerk is hij tot ‘popprofessor’ bestempeld, maar hij wil liever niet als muziekkonijn uit de hoge hoed worden getoverd. Leo Blokhuis (48) over het schrijven van zijn nieuwe boek terwijl thuis de muren worden afgebroken, je naakt voelen tijdens repetities en niet te zichtbaar willen worden. ‘Op een gegeven moment ben je een zalvende, arrogante zak; dat gevaar zie ik zelf in elk geval wel.’
Kader | Over Leo Blokhuis (1961)
‘Ik ben nu 48, tot nu toe heb ik 4 jaar een vast baantje gehad en verder altijd m’n eigen broek opgehouden, daarom heb ik wel het vertrouwen dat het lukt. Maar het kan me wel benauwen, ik zou willen dat mijn financiën wat minder met pieken en dalen gaan. Daar kan ik onrustig van worden, ook al heb ik uiteindelijk altijd genoeg.’ Leo Blokhuis is altijd zijn passie achterna gegaan en dat is de muziek. Hij maakt radioprogramma’s, onder andere met Mart Smeets en sinds kort ook het programma ‘Sweet Soul Music’ bij de Vara. Hij is te zien als ‘popprofessor’ bij de Wereld Draait Door en bij de Top 2000 a Go-Go. Met zijn geliefde Ricky Koole toert hij van januari tot en met maart weer door het land met een nieuwe muziektheatervoorstelling, Laagland. En boeken schrijft hij intussen ook. Na het Klein ABC van de popmuziek, Plaatjesboek en Grijsgedraaid is net het boek City to City verschenen. Blokhuis doet ook nog eens zelf de lay-out van z’n boeken.
Leo Blokhuis woont in Amsterdam met zangeres en actrice Ricky Koole. Hij heeft hij drie dochters en een zoon uit zijn eerste huwelijk. Voor speeldata en meer informatie: www.leoblokhuis.nl
Kader | Over City to City
‘Het is mijn ambitie om een prettig leesboek te maken waar je enthousiast van wordt en waardoor je bijvoorbeeld denkt: goh, ik zou wel weer eens een plaatje van Edith Piaf op kunnen zetten.’ Zegt Leo Blokhuis bij het verschijnen van nieuwe boek City to City. Dat is gelukt. Bij eerdere boeken werd hij al geroemd om zijn ‘levendige enthousiaste schrijfstijl’ en kreeg hij lovende reacties als ‘het liefhebberschap straalt er vanaf’. Ook City to City is een echt enthousiast met liefde gemaakt boek vol weetjes en verhalen. Dit keer over tien steden en hun muziek. Van Memphis in 1953 tot Los Angeles in 1971. Leo Blokhuis heeft inmiddels de opvolger al in z’n hoofd zitten: over Philadelphia en Berlijn en meer. Leo Blokhuis: ‘Stiekem ben ik er al mee bezig.’
City to City van Leo Blokhuis, Ambo Anthos, € 24,95, 192 blz.
‘‘Ik wil van jou leren hoe je altijd zo sympathiek overkomt.’ Dat werd me laatst door een presentator gezegd. Dan sta ik maar wat te lachen, want wat moet ik ermee? Dat zijn momenten waarop ik me realiseer dat mensen me dus zo zien.’ Sympathiek, inderdaad, zo komt hij over als hij als ‘popprofessor’ bij De Wereld Draait Door of bij de Top 2000 a Go-Go muziek laat horen. En zo charmant en vrolijk, om niet te zeggen beminnelijk als op tv, zo is Leo Blokhuis ook aan de andere kant van de tafel. Behalve als samensteller en presentator van radio –en tv-programma’s, is Leo Blokhuis begin komend jaar ook weer te zien in de theaters, samen met zijn geliefde Ricky Koole in de voorstelling Laagland. En in de boekhandel ligt inmiddels zijn nieuwe boek ‘City to City’, over muziek in steden als Parijs, Memphis en Den Haag. ‘Ik heb nooit gedacht: ik ga de sympathieke muziekliefhebber zijn. Maar dat mensen me zo zien, heeft wel iets comfortabels, dat kan ik niet ontkennen. Ik ben er wel bang voor dat het zich tegen me gaat keren. In het begin is het leuk. Mensen kunnen het als een ontdekking zien: ik heb nu iemand gezien die leuke dingen weet over muziek, die enthousiast en vriendelijk is. Maar op een gegeven moment ben je een soort zalvende arrogante zak. Dat gevaar zie ik zelf in elk geval wel. Ik voel het nog niet zo, maar ik moet niet te zichtbaar worden. Dit jaar heb ik expres geen interviews gedaan. Oké, een paar toen Michael Jackson doodging, maar dan nog. Ik had in negen televisieprogramma’s en elf radioprogramma’s kunnen verschijnen. Daar maak ik dan een keuze in. Ik wil niet te pas en te onpas als een muziekkonijn uit de hoge hoed worden getoverd.’
‘Zeven jaar geleden is mijn reputatie als popprofessor ontstaan, bij de Top 2000 a Go-Go. Ik had de popquiz gemaakt en ik vond dat je de muziek moest horen als je erover praat. Want als ik zeg ‘All right now’ van The Free, dan denk je: het zal wel. Maar als ik (zingt) ‘Aaaaall right nooooow, baby, it’s aaaaall…’ nou ja, dan herken je het. De regisseur wilde dat ik dan de muziekjes tijdens de uitzending zou draaien, dat vond ik een slecht idee, dan ben je een soort dj en daar zijn er betere van dan ik. Maar toen ontstond er tijdens de voorbereidingen een soort dispuut tussen Matthijs en de quizkandidaten. Ik ging me daarmee bemoeien, er was een grappige chemie tussen mij en Matthijs (Van Nieuwkerk, red.). Omdat ik een inhoudelijke rol kreeg, werkte het wel. Sinds krap vier jaar ben ik ook geregeld bij De Wereld Draait Door, dan ben je ineens heel zichtbaar. Maar ik ben niet Matthijs van Nieuwkerk dus ik kan heel goed over straat. Ik heb het wel een beetje aan m’n kont hangen dat je met mij lekker over muziek kunt ouwehoeren. Soms reageren mensen raar. Ben ik bij een concert van Bob Dylan, komt er een man voor me staan: ‘Ik dacht dat jij van The Beatles hield.’ Tja, zo iemand heeft zich niet voorgesteld en ook al is het zo dat ik ook van The Beatles hou: wat dan nog? Daar moet je een hardheid voor ontwikkelen. Ik ben geneigd me geïntimideerd te voelen en me te gaan verexcuseren: ‘Ja sorry, ik hou ook van de Beatles, sorry, het zal niet meer gebeuren.’ Maar wat mag er dan eigenlijk niet als je van de Beatles houdt?’
‘Ik kan wel een dag van slag zijn als iemand me op internet voor rotte vis uitmaakt omdat ik iets niet goed hebt gehoord. Op uitglijers word ik echt gepakt, mensen vinden het heel leuk om dat er heel hard in te wrijven. Een paar jaar geleden dacht ik dan nog wel: ik ga het ook niet meer doen ook, ik hoef dit niet, verhalen vertellen op tv. Kijk, op televisie wordt alles groter, zo word ik op televisie de popprofessor, terwijl ik dat nooit zo heb bedacht. Ik snap wel dat het met Matthijs een leuk spelletje is, zeker omdat onze samenwerking via een quiz begon. Maar uiteindelijk wil ik niet als een kenniskanon ten tonele verschijnen. Ik heb liever dat mensen enthousiast worden door muziek. Ik vind wel dat ik zorgvuldig met feiten om moet gaan, maar als een keer iets niet klopt, dan is dat toch geen ramp, het gaat niet om kloppende feitjes. Mijn doel is niet het geven van een geschiedenislesje, ik ben gewoon heel enthousiast over de muziek en dat wil ik overbrengen. Zodat mensen denken: nou ga ik toch eens naar Yves Montand luisteren. Dat er een nieuwe frisheid opduikt, dát is wat ik wil, veel meer dan allerlei rijtjes en feitjes.’
En inderdaad, dat effect heeft z’n nieuwe boek City to City. Geen droge opsommingen, maar lekker lezende beschrijvingen waardoor je meteen naar Parijs en San Francisco zou willen reizen. En vooral: waardoor je zou willen dat je die cassetterecorder en al die bandjes van Fats Domino en Jacques Brel nog had… Ook staat er massa’s leuk-te-weten-verhalen in. Zoals dat Aretha Franklin op haar vijftiende al een kind kreeg, of dat Edith Piaf het zo ongeveer met iedere (jonge) chansonnier heeft gedaan, behalve met Charles Aznavour. Zit Leo Blokhuis lang te twijfelen welke informatie er nou wel en niet in zo’n boek moet?
‘Nee, ik maak snel keuzes, ik ben niet iemand die dagen loopt te wikken en wegen of Charles Aznavour er nou wel of niet in moet, daar heb ik amper over nagedacht. Het zijn best intuïtieve boeken wat dat betreft. Een boek begint met enthousiasme om een paar vondsten die ik doe; te gek, er zit een verhaal in. Dan zoek ik wat meer uit en blijkt dat er een hoofdstuk in zit. En als je dat een paar keer hebt, dan heb je al snel een boek. Als ik een stuk of twee hoofdstukken heb, ga ik erover discussiëren met m’n uitgever. Die vindt er dan wat van en dat vind ik dan stom want ik heb helemaal geen zin om dat hoofdstuk nog een keer te lezen, laat staan om er nog wat aan te doen. Ik wil dan weer door. Maar ik ben in het begin altijd geneigd om me iets te bescheiden op te stellen in die boeken, ik vind het niet zo relevant wat ik vind. Terwijl het dat wel is, want anders is het net alsof ik een gezaghebbend muziekboek aan het maken ben en dat is mijn intentie niet. Juist het persoonlijke maakt het bescheidener. Dat ik vertel dat ik met m’n dochters door een stad loop, wat ik van een nummer vind. Dat geeft het boek iets meer ballen.’
‘Het gaat mij om de zoektocht naar de muziek, daar kan ik me in verliezen. Het opschrijven is daarna echt werken. En ik heb dit boek ook nog eens onder vrij extreme omstandigheden geschreven, namelijk tijdens een verbouwing bij ons thuis die bijna drie maanden heeft geduurd. Dan zat ik te werken terwijl ze intussen de muren aan het wegslaan waren. Soms moest ik echt m’n handen over m’n toetsenbord houden om te zorgen dat het niet onder het gruis kwam. Toen het zo uit de hand liep dat de muren werden afgebroken van de kamer waarin ik zat te werken, was het tijd om uit huis te gaan. We hebben anderhalve week in een huis van familie gezeten die op vakantie was en ook nog een tijdje bij Ricky’s ouders, die hebben een extra etage waar we redelijke onafhankelijk waren. Het was wel een verrassing dat het schrijven lukte tijdens zo’n verbouwing. Die Polen kwamen om acht uur bij ons thuis, dus ik zat dan ook aangekleed aan m’n computer en dacht: dan zal ik ook maar gaan schrijven. Mijn romantische beeld van ’s nachts schrijven sloeg dus nergens op want binnen kantoortijden lukte het ook prima, dat was wel een ontdekking. Mijn normale ritme was: om tien uur m’n bed uitrollen, dan koffie en een krant, om twaalf uur eens wat gaan doen en dan om twee, drie uur ’s nachts stoppen. Nu heb ik meer opties in m’n agenda, omdat ik weet dat ik een column niet per se ’s avonds hoef te schrijven.’
Twee jaar geleden toerde Leo Blokhuis voor het eerst langs de theaters, samen met Ricky Koole, zangeres en actrice. En zijn geliefde, sinds vier jaar. Harmonium heette hun eerste voorstelling, het instrument dat bij Leo thuis stond als kind uit een gereformeerd gezin met acht kinderen. Het toeren beviel zo goed dat ze begin komend jaar weer drie maanden door het land trekken samen, zo’n vijftig keer de theaters in, dit keer met een hele band: gitaar, bas, toetsen en drums. Laagland heet de nieuwe voorstelling en het is weer een mengvorm van concert, theatervoorstelling en college. Is die samenwerking ook ingegeven door het idee: als we niet een paar maanden per jaar samen op stap gaan zien we elkaar sowieso nauwelijks met onze drukke agenda’s?
‘Nee, dat valt gelukkig wel mee. Het was juist best een grote gok om met z’n tweeën te werken, maar het is heel goed gegaan. Ricky heeft een risico genomen door met mij de theaters langs te gaan. Zij heeft een heel goede reputatie: Ricky maakt geen rotzooi. Ze is genomineerd voor twee Gouden Kalveren, heeft met Orkater gespeeld, met Pierre Bokma op het podium gestaan. Van mij was totaal niet duidelijk hoe ik me op het podium zou houden. Ik had geen gigantische podiumvrees omdat ik wel gewend was om een verhaal aan het publiek te vertellen. Maar ik heb het onderschat, in het theater staan. Ik ben geneigd het te groot te maken: gebaren, stemgeluid. De timing is heel belangrijk. Soms zonk de moed me wel in de schoenen, als ik een voorstelling zag waarbij dat zo briljant was gedaan. Dit is wel even wat anders dan een verhaaltje vertellen voor driehonderd studenten… Leren dat zachtjes praten ook goed is, omdat je een microfoon hebt. Ricky en de muzikanten hebben daar een opleiding en training voor gehad en ik heb het gewoon maar gedaan. Die leermomenten zijn natuurlijk verschrikkelijk. De regisseur zegt dat het kleiner moet en dan schaam ik me bijna al: ‘O shit, ja dat doe ik hè, dat overdrijven, dat moet ik niet doen.’ Of dat Paul de Munnik als regisseur bij een andere voorstelling tegen me zegt: ‘Voel de ruimte.’ Ja, ik weet niet hoe dat moet, ik heb niet die technische bagage. Je moet meters maken om over dat overzelfbewustzijn heen te komen.’
‘Het engste vond ik het repeteren thuis. Zegt de regisseur: doe die tekst maar even, uit je hoofd, zoals je het in het theater zou doen. Dat voelt dan zó gênant. Zitten daar mijn geliefde, de regisseur en nog twee muzikanten die een beetje aan het stemmen zijn en dan moet ik mijn verhaal te vertellen. Dat is eng, veel enger dan op het podium. Zo thuis voelde ik me echt een aansteller. Want dat je je best doen als je voor vijfhonderd man staat, dat snapt iedereen. Maar als je voor twee man je best gaat doen… Dat voelt echt naakt.’
‘Het theater is van alle dingen die ik doe het meest een bijna zen-achtige hier en nu beleving. Met je beide poten op de grond staan: dit is wat we met elkaar doen op het podium. En het publiek doet al iets door stil te zijn. Bij De Wereld Draait Door of bij de Top 2000 a Go-Go kunnen we een miljoen kijkers halen, of zelfs 1,2 miljoen. Maar ik zie die mensen niet. Ze zijn thuis, en wat zijn ze aan het doen? Ze drinken koffie, lullen wat met elkaar, dat is totaal abstract. Bovendien is 1 miljoen een buitenmenselijke maat, ik heb daar geen beeld van. Terwijl als een theaterzaal als De Kleine Komedie in Amsterdam volzit, dan zitten er vijfhonderd mensen. Dat zijn er heel veel! Vijfhonderd mensen die van tevoren hebben bedacht: we gaan hiernaartoe. Die hebben er zin in. Ze hebben een oppas geregeld, hun jas aangedaan en die gaan in een donker hok zitten waar ze niks anders kunnen doen dan naar ons kijken. Dat is fantastisch! Niet eens om de egoboost, maar om de intimiteit die dat geeft.’
‘Na onze voorstelling gaan Ricky en ik altijd nog even de foyer in, dat vind ik ook leuk en daar steek ik zelf ook dingen van op. Er zijn mensen die met leuke verhalen of informatie komen. Maar soms word ik echt in een hoek gedreven door vier mannen die met me willen praten, het zijn bijna altijd mannen, ja. Ricky en ik houden elkaar dan in de gaten: is het nog leuk of moeten we de ander even uit het gesprek halen met een ‘Je moet nodig achter iets opruimen’. Ricky zegt wel eens dat ik het belachelijk lang kan volhouden na een optreden, dat kletsen met publiek. Ik ben een ontzettende ouwehoer in feite. Er zijn weinig situaties waarin ik het echt vervelend vind. Soms komt er iemand naar me toe: ‘Ik kén jou! Jij bent eh… van de Wereld Draait Door!’ Alsof ik dan even een verhaaltje moet vertellen of een mooie muziektip moet geven. Nou ja, dan geef ik maar een hand: ‘Ik ben Leo.’ Ze zeggen verder niks, er is dan geen gesprek maar zo iemand blijft me wel aankijken alsof er wel een gesprek is. Dat moet dan maar snel afgelopen zijn, ik heb gewoon geen tekst dan.’