‘Ik ben blij dat ik het leven niet over hoef te doen’
Antoine Bodar
In: esta nr. 26 – Interviewserie Nest, bekende Nederlanders over hun jeugd – december 2008

Priester Antoine Bodar werd op 28 december 1944 in Den Bosch geboren. Hij had een oudere broer, Jan, en twee jongere zussen, Magda en Maggie. Op zijn 5e verhuisde het gezin naar Amsterdam. ‘Mijn ouders maakten zich zorgen, vonden dat ik te veel neiging had tot vroomheid. Ze zagen me liever voetballen, zoals mijn broer.’

‘Kun jij je voorstellen dat je helemaal geen priester wordt? Want jij bent gewoon te dom’, hoorde Antoine Bodar op zijn zestiende van zijn biechtvader. De jonge Bodar die al op zijn zesde wist dat hij priester wilde worden. Die nu vijf studies heeft afgerond. Die meer dan 15.000 boeken in zijn prachtige etage midden in het Amsterdamse centrum heeft staan, waar hij twee maanden per jaar verblijft. En die tien maanden per jaar in zijn cel in Rome studeert, een cel in een priesterhuis. Want priester is hij geworden, al heeft hij daar tot zijn zevenenveertigste op gewacht. Te dom, geen priester, dat moet een klap zijn geweest voor een jongen met een roeping.

‘Het was heel erg. Als kind was ik al bij de lurven gegrepen door God. Ik was geraakt door de liturgie, de sfeer, de muziek. Misdienaar was ik, koorzanger, altijd in de kerk. Op eigen houtje ging ik ernaartoe. Thuis speelden we misje, ik was dan de priester natuurlijk. Het ging me om het opdragen van de Heilige Mis, die kende ik uit mijn hoofd. Ik werd er gelukkig van, al heel jong wist ik dat dat mijn toekomst zou zijn. Ik word priester, basta!
Pas rond mijn achtentwintigste heb ik mijn zelfvertrouwen een beetje teruggekregen. Na mijn staatsexamen gymnasium, na mijn studie geschiedenis. En het hielp ook dat ik in die tijd tv-programma’s maakte. Ik stelde misschien niet altijd de goede vragen, maar ik kon wel goed luisteren.’

Zijn moeder bleef vroeger liever thuis tijdens de kerstmis. Zijn vader was gelovig, stuurde z’n kinderen elke ochtend om half zeven naar de kerk. Maar ook al speelde het geloof een belangrijke rol in het gezin, dat Antoine Bodar al op zijn zesde liever in de kerk was dan dat hij aan het ravotten was op straat, was een lastig punt. ‘Mijn ouders maakte zich zorgen, ze vonden dat ik te veel neiging had tot vroomheid. Het was bij hen ook vooral de zorg dat ik niet sportief was, ik las als kind al veel en luisterde naar de radio. Niet zoals mijn oudere broer met bravoure die wel graag voetbalde.

Als kind kreeg daarom ik eindeloze flinkheids-cursussen opgedrongen, ik moest naar de welpen. Dan moest je op kamp in de zomer. En iedere zaterdagmiddag naar zo’n koud buitenoord. Maar ik wilde helemáál geen welp zijn! Met correcties van: rechtop lopen en stroop je mouwen op. Akela, we doen ons best. Al die flinkheids-zaken waar ik helemaal niet voor geschapen ben, ik vond het verschrikkelijk. En ik was zo’n mooi jongetje, mijn ouders dachten: dat gaat helemaal de verkeerde kant op. Zij waren bij voorbaat al bang dat ik homoseksueel zou zijn, terwijl ik me er nog helemaal niet van bewust was. Ze wilden het voorkomen, men dacht in die tijd nog dat dat kon, vandaar die Spartaanse opvoeding van buiten in de kou en naar de welpen.’

Naar het seminarie wilde Antoine Bodar, het geijkte pad naar het priesterschap. Maar nee, zijn ouders en een broeder van de lagere school wilden dat de 12-jarige Bodar naar de jezuïeten ging. Dat was beter voor de ontwikkeling, zeiden ze. In de tweede klas van het gym en een stukje van de derde klas ben ik tóch op het seminarie geweest, mijn ouders gaven me uiteindelijk mijn zin. Maar ik was er fysiek niet tegen opgewassen. Het was op het land, in Brabant, er zaten allemaal van die stoere types, en ik was een stadskind. Ik had vreselijke hoofdpijnen in die tijd. Uit mezelf was ik nooit weggegaan, maar het ging gewoon niet.’

Terug bij de jezuïeten had Bodar een achterstand opgelopen en hij was een dromer. Van school moest hij. Bij een psychologe werd hij getest. Helemaal niet dom, was het oordeel. Maar het is beter als hij overdag gaat werken, dan wordt-ie weerbaar in de wereld. ‘Een rámptijd. Want overdag zeurde ik de mensen bij mijn baantje bij uitgeverij Meulenhoff aan de kop met Goethe en al die schrijvers die ik ’s avonds las. Ik wilde niet werken, ik wilde studeren, dat gaf spanning, we hadden vaak woorden thuis. Mijn vader zei rond mijn achttiende: ‘Als het je niet bevalt, dan stap je maar op.’ De volgende dag heb ik een bakfiets gehuurd, mijn boeken erop geladen en ben ik opgestapt. Via een vriendje kende ik iemand bij wie ik een kamer kon huren. Diepe armoede was het, die kamer kostte 75 gulden terwijl ik 150 gulden verdiende. Ik wist niet hoe ik de eindjes aan elkaar moest knopen. Een heel nare periode.’ Het was de tijd dat Antoine Bodar een zelfmoordpoging deed, op zijn twintigste, vanwege een gevoel van algemene verlatenheid. Het was ook de tijd waarin hij besefte dat hij op mannen viel, een gegeven dat bij zijn ouders heel moeilijk lag. ‘Ik beantwoordde op geen enkele wijze aan wat mijn ouders van mij verwachtten, ik paste in geen enkel patroon. Mijn vader heeft toen hij ouder werd wel gevraagd: ‘Heb ik het wel goed gedaan?’ Daar heeft hij heel vaak over nagedacht. Ik heb altijd gezegd: ‘U hebt het gedaan zoals u meende dat u het moest doen. U hebt het niet voor uw verdriet gedaan.’ Natuurlijk is het vroeger moeilijk geweest, voor hem en voor mij. In die tijd was homoseksualiteit iets vreselijks, zeker in die katholieke milieus. Kijk, mijn ouders zijn nu dood, dat leven is voltooid, zij hebben gedaan wat ze konden doen. Maar ik ben blij dat ik het leven niet over hoef te doen, dat moet ik er wel bij zeggen.

‘Waarom moeten we leven?’ Als jongetje vroeg ik het al aan mijn moeder, wat toch wel een typische vraag is als je een jaar of 7 bent. Ik heb een zekere neiging tot melancholie, tot depressie. Als je dat weet, kun je het redelijk goed in toom houden. Het is twee keer in mijn leven heel diep geweest, rond mijn twintigste en tien jaar geleden. Bij mijn tweede depressie heeft het geloof me wel erg geholpen. Ook al stond ik helemaal stil en was het heel moeilijk om te leven. Ik dacht: ik doe niks meer met m’n leven, ik stap eruit, bij wijze van spreken. Maar ik heb ook een voorbeeldfunctie, ik kan niet zeggen: ‘Ik stap op.’ Het geloof is een antwoord op de zin van het leven, zo was het toen ik 7 was en zo is het nog steeds. Voor mij gaat er een grote troost vanuit. Die troost gaat voor mij ook uit van boeken lezen, kamermuziek, ik hou erg van de schone kunsten, wat dat betreft heb ik een rijk leven. Maar de verbinding van alles is toch de godsdienst. Ik denk dat ik bij uitstek een religieuze aanleg heb. Dat die al zo vroeg geworteld is, heeft de psychiater naar boven gehaald bij wie ik was tijdens mijn tweede depressie, een joodse dame van 80 was dat.’ De psychiater die zich wel eens afvroeg waarom hij zijn mening niet anders formuleerde, dan zouden de mensen minder boos worden. Want stoken, dat kan hij, met zijn uitgesproken meningen. ‘Ik vind ook dat dat goed is, anders komt er niks uit je vingers. Ik heb mijn standpunt in te nemen, vind ik.’ Met zijn Open brief aan God, die hij in 1997 voor Trouw schreef, kwam hem dat duur te staan. Een polemisch epistel was het, ter gelegenheid van de boekenweek. Wie dacht Antoine Bodar wel niet dat hij was dat hij een bijna amicale brief aan God kon schrijven? ‘Er werd van dat vieze vette spek door de brievenbus gegooid, en uitwerpselen. De grote tafel in mijn bibliotheek was wekenlang bedolven onder boze brieven.’ Maar er kwam ook een doornenkroon, die nog steeds in de kast ligt. Zelfgeknipt en gevlochten door een mevrouw die dacht dat hij wel veel over zich heen zou krijgen. ‘Mijn maag draaide om toen ik het pak openmaakte, er zat ook een grote brief bij. Een hart onder de riem was het, heel hevig. Het ligt daar mooi op die plank, nietwaar? Het schaadt niet en het is ook een mooie herinnering, trouwens.

Mijn broer was totaal het tegenovergestelde van mij, hij zat in het bouwwezen, was een zeezeiler. Pas vlak voor zijn dood is het contact gekomen, tijdens een weekend in Brugge met de hele familie omdat mijn ouders zestig jaar getrouwd waren, zeven jaar geleden. Mijn broer en ik sliepen op één kamer, dat hadden we sinds onze prille jeugd niet meer gedaan. Hij was net weduwnaar geworden en daar was-ie nogal boos over, dat zijn vrouw hem was afgepakt. Onze Lieve Heer kreeg de schuld, maar ja, die kun je moeilijk uit de hemel plukken. Dus ik kreeg de schuld, was de verpersoonlijking. Dat was heel moeilijk. In Brugge hebben we twee nachten doorgepraat. Mijn broer als mijn grote broer, wat hij altijd is gebleven, met de sterke schouders. En ik zijn kleine broertje natuurlijk. Het viel allemaal op zijn plaats, mij heeft het deugd gedaan dat het zo mooi tot voltooiing is gekomen. Niet lang daarna is hij ziek geworden en overleden.’

Weerstand was er in de familie toen Antoine Bodar rond zijn veertigste liet weten dat hij toch nog priester wilde worden. ‘Vooral mijn moeder vond het helemaal geen goed idee, ze maakte zich bezorgd over de klappen die ik zou kunnen krijgen. Eigenlijk dacht iedereen: waarom zou hij nou priester worden? Hij heeft toch alles? Priester zijn had in mijn jeugd een zekere status. Nu ben je eerder de kop-van-jut dan iets anders, ook al valt het bij mij nog mee.’ Maar klappen heeft hij gehad. Antoine Bodar verbrak zijn langdurige relatie om zich voor te bereiden op zijn priesterwijding, zeven jaar heeft hij erover gedaan. Vlak voor de wijding brak het tumult los. Hoewel zijn homoseksualiteit in de kerk al lang bekend was, vielen de media over hem heen. Later kreeg hij het ontslag bij de kerk De Krijtberg en zijn ontslag bij de Universiteit van Leiden te verwerken. ‘Ik heb die zorg zo veel mogelijk bij mijn ouders proberen weg te houden. Ik heb hen nooit verteld over die trieste kant van mij, ik wilde ze sparen. Ook op tv laat ik het niet zien. Er wordt dan gezegd: ‘U tobt zo weinig op televisie.’ Ja, ik tob liever thuis. Op televisie kun je beter vrolijk zijn, die andere kant hou ik liever voor mezelf.’

Nederland is voor Antoine Bodar het podium; televisie, lezingen, radio-optredens, en zelfs een reclamespotje. Het studeren, dat is Rome. Daar preekt hij ook, neemt de biecht af. Om zijn veelvuldige optredens is Bodar ook wel een ‘publiciteitsbeluste sierpriester’ genoemd. ‘Ik vind dat natuurlijk niet zo plezierig, ook al laat ik dat niet merken. Kijk, als je je kop boven het maaiveld uitsteekt, dan krijg je het te horen, zeker in Nederland. Men heeft vaak een verkeerd gevoel van nederigheid. Echte bescheidenheid is ook weten wat je wél kan. Als je de kans krijgt om te spreken en je weet dat je het kunt, spreek dan. En dat doe ik ook vaak, ook al probeer ik wel maat te houden.’


Kader | van & over Bodar

een greep uit alle boeken:
Uit de Eeuwige Stad € 19,95, Ambo, 304 blz. (2008)
Een reeks opstellen over geloof, kunst en cultuur, wetenschap, de Bijbel.
En allemaalgeschreven in het priesterhuis in Rome waar Antoine Bodar
het grootste deel van het jaar woont.
Moeder of kind € 14,95, De Hoorspelfabriek, 31 blz. met cd (2008)
Ontroerend boekje over zijn dementerende moeder.
Met cd waarop Antoine Bodar voorleest.
Ongeordende liefde Wim Houtman in gesprek met Antoine Bodar € 14,50,
Ten Have, 123 blz. (2006)
Tien interviews met Antoine Bodar over (homo)sexualiteit.
Interviewer Wim Houtman: ‘Hierna zou hij er wel voor eens en altijd vanaf willen
zijn om steeds maar weer publiekelijk over dit onderwerp te worden bevraagd.’