
‘Schaduwkind voelde bijna als
een hernieuwd debuut’
Frans Thomése
In: esta nr. 9 – april 2008
Hij brak internationaal door met Schaduwkind, het boek over zijn overleden dochtertje Isa. Begin mei gaat hij naar New York om tijdens een groots festival voor te lezen uit zijn werk. Frans Thomése over zijn chaotische opvoeding, het mijden van winkels en de bevrediging van het vaderschap.
Kader | Frans Thomése (50)
‘Nu ik ouder ben, heb ik minder bevestiging nodig.’ Hij heeft dan ook al flink wat op zijn naam staan. Voor de verhalenbundel Zuidland waarmee hij in 1990 debuteerde, kreeg hij de AKO literatuurprijs. Na verschillende romans, novellen en verhalenbundels, brak hij in 2003 internationaal door met het boek Schaduwkind. Voor de roman Vladiwostok! die vorig jaar verscheen, werd hij genomineerd voor de Gouden Uil. Net is het boek Nergensman – autobiografieën verschenen. Inmiddels is hij alweer bezig met een nieuwe roman en gaat hij begin mei naar het prestigieuze PEN World Voices Festival om voor te lezen uit Schaduwkind. Ook schrijvers als Salman Rushdie en Umberto Eco zullen daar optreden.
Frans Thomése woont in Haarlem met zijn vrouw Makira (39) en hun zonen Pieter Makiri (2) en Frederik (4).
‘Ik ben wereldberoemd geworden als vader van een dood kind, maar toch blijven mensen om je heen lopen die dat onderwerp niet aansnijden. Als je onder zo’n heftig verdriet, zo’n heftig lot gebukt gaat, krijg je angst voor de buitenwereld. Je bent een ziek dier in de kudde. Mensen om je heen weten zich niet goed raad met je. Nog steeds neem ik het vrienden kwalijk dat ze gedacht hebben: ik kan toch niets doen, of hij zal niet op mij zitten te wachten. En die nooit een behoorlijke reactie gegeven hebben, ook later niet, mensen die je al heel lang kent. Op hen kan ik nog steeds kwaad worden. Dat heeft te maken met het ontkennen van je kind. We kunnen het kind nu wel terzijde schuiven, ze hebben nu twee zoontjes, zand erover. Mensen moeten zich er verplicht doorheen stotteren, vind ik.
Mijn vrouw Makira en ik gingen zelfs winkels mijden waar we eerst met de baby waren geweest. We gaan niet naar het haringstalletje want dan vragen ze: ‘Hoe is het met de kleine, we zien d’r nooit meer’. Ik heb toen in Amsterdam heel andere routes genomen en ben naar andere winkels gegaan.
Daarom zijn we onder andere ook naar Haarlem verhuisd.Ik kwam Makira twaalf jaar geleden tegen bij het radioprogramma waar ze toen werkte, Ophef en Vertier. Bij de nazit raakten we aan de praat. De schrijver Gerrit Krol was er ook en mijn Querido-redacteur Anthony Mertens, dus dat was gezellig en we gingen nog naar het café. Krol ging naar huis, naar Groningen, Anthony Mertens liep met hem mee naar de tram. Dus toen liep ik met Makira naar café De Zwart in Amsterdam. Dat was een avond die heel lang bleef duren. Gerrit Krol zei later: ‘Hoe heb je dat geregeld? Mij geven ze altijd alleen maar een fles wijn.’ Na vier jaar zijn Makira en ik getrouwd vanwege het uitzicht op kinderen. Dat bleken dan toch eerst twee miskramen te worden en een kind dat doodging.
Door Schaduwkind konden mensen het over het boek hebben en over het succes ervan. Dat is dan toch iets positiefs denken ze dan, terwijl het er voor mezelf helemaal niets mee te maken heeft, het is geen genoegdoening. Er werd me wel eens gevraagd of het niet raar was dat ik met zo’n boek dat succes heb, dat het in zoveel talen is vertaald. Dat vind ik dan juist weer mooi, liever met zo’n boek dan met mijn roman Vladiwostok!, omdat ik het leuk vind om de naam van mijn dochtertje in al die talen te zien staan. Of dat in een krant uit Estland een pagina met een interview met mij stond, dat kon ik niet lezen, maar toch zie je een paar keer ‘Isa’ staan in het Fins-Oegrisch, zo’n taal met al die ö’s en hele lange woorden.
We hebben twee rolletjes met foto’s van haar en de teksten in Schaduwkind. Er blijft verder niks achter, het is heel mager, daarom ben ik heel blij dat ik Schaduwkind geschreven heb. Het voelde bijna als een hernieuwd debuut, dat je alles weer opnieuw vormgeeft en denkt: zo moet het. Toen ik met Zuidland debuteerde, achttien jaar geleden, wist ik: beter kan het niet. Ik was bang dat het het beste was wat ik ooit zou schrijven. Het was zo goed, ik had nauwelijks het gevoel dat ik het zelf deed. Dat had ik met Schaduwkind ook, dan ben je nog even bang dat het plagiaat is. Ik schrijf het zo makkelijk, het zal toch niet in mijn hoofd zitten ergens, dat ik het al gelezen heb? Dat is het gekke met schrijven, je denkt: hoe komen die zinnen en gedachten ineens in mijn hoofd?
Elk boek krijgt zijn eigen geschiedenis. Nergensman dat net is verschenen zal geen bestseller worden, omdat het uit scherven is opgebouwd, uit gedachten en overpeinzingen. Dat het niet enorm zal verkopen, vind ik niet erg, ik wil graag zo schrijven. Dat is het enige lastige: als je veel succes hebt met een boek, ontstaat er een verwachtingspatroon. Hij zal wel een soort geheim hebben dat hij van elk boek een soort groot circusnummer kan maken. Zo heb ik zelf nooit over het schrijven nagedacht, schrijven is mijn leven en af en toe heb je iets in handen waarvan je denkt dat het wel eens een groot publiek zou kunnen interesseren.
Ik schrijf altijd een boek dat ik zelf wil lezen, heb altijd een ideaal van een boek in mijn hoofd. Ik hou er erg van om verheven of mooie gevoelens toe te kennen aan walgelijke personages, door dat contrast kun je het heel goed beschrijven. Fons Nieuwenhuijs (een van de twee hoofdpersonen in de roman Vladiwostok!, red.) heeft heel veel mooie vaderlijke gevoelens. Maar juist omdat die worden geuit in een situatie die onaangenaam is, bijvoorbeeld omdat hij intieme gevoelens voor zijn dochter koestert, worden ze pervers. Op zich zijn z’n gevoelens mooi, maar omdat ze geseksualiseerd zijn, is het afstotelijk. Terwijl ik zeker weet dat vaders en moeders een soort erotische gevoelens hebben voor hun kinderen, zonder dat het vies is. In een roman kan ik het beschrijven terwijl het aan zo’n personage vastzit en hoef ik er geen verantwoording voor af te leggen. Als ik in Schaduwkind zou schrijven over een erotisch gevoel voor een baby, zouden mensen denken: van die man moeten we een dossier gaan bijhouden. Terwijl de grens toch heel moeilijk is vast te stellen tussen de liefde die je voor je vrouw voelt en voor je kinderen. Dat vloeit in elkaar over.
Omdat we in zo’n geseksualiseerde wereld leven, wordt dat heel problematisch gemaakt. Daar gaat Vladiwostok! ook over, dat we in een wereld leven waarin alles pornografie is geworden. Als lezer wil je over de grenzen, je wil iets ervaren wat onsmakelijk is of weerzinwekkend. Daar zijn romans volgens mij heel geschikt voor, daarom houden mensen denk ik ook van misdaadromans. Dat je toch even over de rand wil kijken hoe het er diep in de put aan toegaat.
Thuis waren we met vier kinderen, ik als enige zoon en drie jongere zussen. Het was een nogal een chaotische opvoeding, wat ik als jongen erg prettig vond. Mijn moeder is gewoon een zenuwpees, een zenuwachtig aangelegd iemand. Ik denk dat ze weinig greep had op ons en eigenlijk amper wist wat ik nou precies deed. Ze kon net de zorgende taken aan, het eten op tafel, de was gedaan. Het was denk ik ook een hard bestaan voor mijn moeder. Grote pannen met luiers voor de jongste kinderen, wasmachines waren er nog niet. Ik kan me nog de komst van de apparatuur herinneren, de eerste ijskast, de eerste wasmachine.
We hadden een heel groot huis met een grote tuin rondom, daar had ik een heel klassieke, gelukkige jeugd. Ik kan me wel herinneren dat ik als jonge jongen rondzwierf op die landerijen rondom Zaltbommel. Veel boomgaarden, zeker toen, het was een oud vestingstadje, buiten de vestingwallen begonnen meteen de tuinderijen en weilanden, dus ik heb weidse horizonten in mijn jeugdherinneringen, met grote landschappen.
Mijn ouders werden wat dwingender toen het dreigde anders te lopen dan het hoorde. Ik ben blijven zitten, mijn zusje dat onder mij kwam wilde helemaal niet deugen, die liep altijd weg en rookte al op haar twaalfde. En ik kom uit een bepaald soort milieu, mijn vader was directeur van een drukkerij, dus werd er wel verwacht dat ik na het gymnasium zou gaan studeren en het liefste rechten of medicijnen, dat soort verstandige studies. Ik was daar te romantisch voor, school en onderwijssystemen speelden voor mij een heel ondergeschikte rol. Ik dacht: als ik de kans krijg monster ik aan op een vrachtboot. Dat soort fantasieën had ik, ver weg, mysterieuze levens gaan leiden. Ik heb uiteindelijk wel gymnasium gehaald hoor. Het was zo’n tijd van: ‘Kan die herrie zachter’ als ik de Beatles had opstaan, wat eigenlijk bejaardenmuziek is.’
Het is lastig, mijn vader is heel jong gestorven, hij was 58, ik 21, dus ik heb de conflicten in mijn jeugd niet echt kunnen verwerken. Ouders zijn ook heel nuttig om allerlei negatieve gevoelens jegens te ontwikkelen en die later weer kwijt te schelden. Als iemand dood is, tot wie richt je je dan? De hele afrekening wordt verstoord. Mensen denken dan: ach, hij mist z’n vader zo omdat hij schouderklopjes wil. Maar ik miste ook iemand om tegenaan te schoppen, ik miste ook de ruzies. Dat gevoel dat je hebt als een verhouding uitgaat, dan mis je de ruzies. Eerst kon je de ander de schuld geven en nu moet je het bij jezelf zoeken. Het hele verzet tegen m’n vader was zinloos geworden. En later de gelijke van je vader worden, dat is ook uitgesloten.
Nu ik zelf kinderen heb, denk ik dat mijn ouders het best goed hebben gedaan. Sommige dingen doe ik niet zoals zij. Ik ben best wel streng opgevoed, mijn vader vond het belangrijk om me verbaal flink te kleineren, dat zou ik nooit doen. Ik word nooit kwaad op mijn zoontjes. Omdat het genoeg is om het ze gewoon te zeggen, en ze zijn zo klein, 4 en 2.
Makira en ik waren beiden niet bang om na Isa weer een kind te krijgen, we zijn geen bangige ouders. Ik denk wel aan de sterfelijkheid van mijn kinderen, dat is een afwijking die ik wel in m’n graf zal meenemen. Het is een reële angst, de meeste mensen verdringen dat. Doordat ik die angst heb, geniet ik wel heel erg hoe het nu is omdat ik ook weet dat het straks voorbij is. Je ziet soms ouders die zich door de jeugd van hun kinderen heen kankeren, ik vind dat toch wel zonde. Daarom word ik ook niet kwaad op mijn kinderen, omdat ik niet kwaad bén op hen en omdat ik blij ben dat het zulke kleine grappige jongetjes zijn. En straks zijn het grote mensen die misschien niet meer langs willen komen omdat ze wat beters te doen hebben.
Het gevoel van sterfelijkheid betekent niet dat je ongelukkig bent, integendeel zou ik zeggen. Jan Wolkers is er een goed voorbeeld van, die had het ook steeds over dood en sterfelijkheid en die maakte toch, en misschien juist daardoor, een heel blijmoedige en vitale indruk. Niet dat je denkt: die zit maar te somberen thuis. Voor veel mensen is de dood niet aanwezig in hun leven. Voor mij al jong, toen mijn vader overleed. Nooit eerder had ik een lijk gezien of aangeraakt, dat zijn dingen die je niet koud laten. Aangrijpend is het. En met ons kind ook, dan heb je weer een lijk in je handen. En al die andere mensen die dood gaan daartussen, dat is toch iets anders. Het lijf van je vader, het lijf van je kind, dat ken je net zo goed als je eigen lichaam. Dat is een ander soort doodsbesef.
Inmiddels ben ik een gedisciplineerd schrijver, meer dan vroeger toen ik nog geen kinderen had, ik schrijf nu ook meer. Door kinderen heb je vanzelf een geordend leven. Ik ben al blij dat ik de uren tussen het opstaan en het van school halen voor mezelf mag houden, ik snak er ook meer naar. Toen ik jong was zwom ik rond in een zee van tijd, verschoof alles naar de avond. Boodschappen deed ik net voordat de winkel dichtging, van cafés wist ik alle sluitingstijden, ik was gericht op het laatste moment. Het gekke is dat ik rond mijn dertigste veel meer tijd had, maar meer tijd tekort kwam dan nu.
In die jaren had ik ook wel depressieve perioden. Sinds we Isa kregen, mijn overleden dochtertje, ben ik nooit meer depressief geweest. Ik kon het me niet permitteren. Depressiviteit heeft voor een deel te maken met aan iets toegeven, een soort afgrondelijkheid toestaan en jezelf daarin verliezen. Zwelgen doe ik soms nog wel, het is wel eens lekker om op de bank te blijven liggen. Of, zoals Herman Koch schrijft, een ochtend niet op te staan. Maar dat is anders, je weet dat ’s middags de kinderen van de crèche en van school komen. Van die gedachte klaar ik meteen al op. Ik tuimel niet meer dagenlang in zo’n afgrond terwijl ik denk: laat maar zitten, ik wou dat het alweer volgende week was en dat ik zelf niet mee hoef te doen. Ik heb nu een rol in een groter verband. Depressiviteit heeft denk ik veel te maken met het gevoel afgezonderd te zijn en geen deel uit te maken van de wereld en het leven. Het is een soort zelfhaat, zelfverachting. Het zorgzame dat ik nu heb als vader is zo bevredigend. Ook al zou ik nooit meer een boek schrijven, dan zou ik toch denken: ik breng wel die jongens naar de zwemles.’